Veel gestelde vragen
 
Algemeen
Waar vind ik de basisdocumenten van het Programma Uitvoering met Ambitie?
 
PIM
Wat is Inspectieview Milieu (IvM)?
Wat kan Inspectieview Milieu?
Wat kan Inspectieview Milieu niet?
Waarom is besloten om Inspectieview Milieu te ontwikkelen?
Welke voordelen heeft het om als organisatie op IvM aan te sluiten?
Hoe moet worden omgegaan met de informatie die via IvM beschikbaar wordt gesteld?
Welke waarde heeft de informatie verkregen via IvM? En wat kan een andere partij met jouw informatie?
Wat is de rol van de Inspectie voor Leefomgeving en Transport ten aanzien van IvM?
Is het verplicht voor organisaties om op IvM aan te sluiten?
Wat heeft een organisatie nodig om IvM te kunnen gebruiken?
Wie is eigenaar van IvM?
Hoe wordt het beheer van IvM ingericht?
Wat is de rol van ICTU?
 
Bestuurlijke Strafbeschikking Milieu
Wat hebben gemeenten nodig hebben om per 1 mei van start te kunnen met de bsbm?
Wat moeten gemeenten doen om het schrijven op milieufeiten mogelijk te maken?
Waarom wordt de zelfstandige bevoegdheid voor het opleggen van een geldboete bij een directeur van een RUD gelegd en niet bij Gedeputeerde Staten of Burgemeester en Wethouders?
 
RUD’s
Waarom zijn RUD’s nodig?
 
Kwaliteit
Waar gaan de kwaliteitscriteria van KPMG over?
Wat is de status van de kwaliteitscriteria van KPMG?
Wie moeten aan de kwaliteitscriteria van KPMG voldoen?
Wie controleert of aan de kwaliteitscriteria wordt voldaan?
Wie moeten er aan de kwaliteitseisen van het Besluit omgevingsrecht voor handhaving en toezicht voldoen?
Wie controleert of er aan de kwaliteitseisen van het Besluit omgevingsrecht wordt voldaan?
 
Output criteria & outcome criteria
Wat zijn output-en outcomecriteria?
Wat is het doel van deze output-outcomecriteria?
Wat betekent de totstandkoming ervan voor de kwaliteitscriteria uit het KPMG-rapport?
Wat is de status van de outputcriteria?
Voor wie gelden de outputcriteria en hoe worden ze gebruikt?
 
 
Algemeen
 
Waar vind ik de basisdocumenten van het Programma Uitvoering met Ambitie?
De basisdocumenten van het Programma Uitvoering met Ambitie, zoals de onderzoeksrapporten Mans, de Ridder en Oosting.
 
PIM
 
Wat is Inspectieview Milieu (IvM)?

Inspectieview Milieu (IvM) biedt handhavers en toezichthouders de mogelijkheid om in elkaars informatie te kijken. IvM biedt informatie over ondermeer inspecties, meldingen en vergunningen van bedrijven, natuurlijke personen en ‘werken en inrichtingen’. IvM wordt in 2012 ontwikkeld met DCMR, OZHZ, het Agentschap NL voor LMA en EVOA, ILT, de politie en via Inspectieview bedrijven ook de bronnen die daar op zijn aangesloten (op dit moment Inspectie SZW (voorheen Arbeidsinspectie), ILT en NVWA). In de loop van 2013 zullen de overige regionale uitvoeringsdiensten en andere bronhouders en gebruikers volgen. Gemeenten zullen niet als bron op IvM worden aangesloten.

 
Wat kan Inspectieview Milieu?

IvM kan geautoriseerde gebruikers door middel van een beveiligde website een geïntegreerd beeld bieden van de beschikbare informatie over een inspectieobject (bedrijf, persoon of inrichting) op basis van de aangesloten bronnen. Het gaat om een beeld van het nalevingsgedrag van een object/subject. Dit beeld wordt real time opgebouwd door gegevenselementen uit verschillende bronnen te combineren tot een virtueel dossier. Via verschillende schermen kan de gebruiker de diverse soorten informatie (dossierelementen) raadplegen en indien gewenst als een pdf rapport opslaan of printen. Nadat de gebruiker de inkijk in het dossier beëindigt, worden alle gegevens gewist.

 
Wat kan Inspectieview Milieu niet?

IvM slaat geen informatie op, kan geen informatie toevoegen of wijzigen en heeft geen rol als (gezamenlijk) primair proces systeem.

 
Waarom is besloten om Inspectieview Milieu te ontwikkelen?

Uit diverse onderzoeken (ondermeer ‘de tijd is rijp’ van de commissie Mans en ‘Grip op milieuzaken’ van commissie de Ridder) is gebleken dat de vergunningverlening, toezicht en handhaving in de milieuketen versterking behoeft. Fragmentatie, onvoldoende samenwerking, ontoereikende kennis, gebrek aan eenduidigheid en het ontbreken van gestructureerde en gestandaardiseerde informatie-uitwisseling tussen handhavende instanties verzwakt de milieuhandhaving. De inzet van mensen en middelen kan sterk verbeterd worden wanneer toezicht en handhaving op basis van risicoanalyses en gerichte informatie plaatsvindt. Door informatie tussen de handhavingpartners te delen en door samen op te trekken bij de uitvoering van de werkzaamheden neemt de effectiviteit verder toe. IvM is het hulpmiddel voor de informatie-uitwisseling en is daarmee een stuk gereedschap voor opsporing en handhaving.

 
Welke voordelen heeft het om als organisatie op IvM aan te sluiten?

De voordelen om op IvM aan te sluiten zijn tweeledig: de gebruiker is in staat om samengevatte informatie over de dossiers te raadplegen van andere diensten en zich daarmee inhoudelijk uitgebreider te informeren. De informatie die zo beschikbaar komt kan zowel gebruikt worden voor het bepalen van de prioriteiten (inplannen van inspecties) als voor de voorbereiding van een concrete inspectie. De bronhouder is in staat andere diensten te informeren over de eigen waarnemingen, waardoor die breder gebruikt worden en daarmee in belang en impact toenemen. Het kan tevens de basis vormen om gezamenlijk een inspectie voor te bereiden.

 
Hoe moet worden omgegaan met de informatie die via IvM beschikbaar wordt gesteld?

De informatie die bronhouders via IvM beschikbaar stellen is het resultaat van specifieke processen bij de bron (zoals melden, inspecteren en vergunning verlenen). Het is voor het juist interpreteren van die informatie van belang die processen te kennen of wanneer dat niet het geval is daar bij de bron naar te informeren. De informatie die IvM biedt is actueel doordat deze direct bij de
bron gehaald wordt. De informatie verrijkt de eigen informatie en geeft mogelijk een nadere invulling van een bepaald beeld van een organisatie of persoon. De aanvullende informatie kan behulpzaam zijn bij het analyseren, plannen, voorbereiden en uitvoeren van de eigen inspectie- of opsporingswerkzaamheden en aanleiding zijn daarin samen te werken. Het resultaat is een beter geïnformeerd,
effectiever en efficiënter toezicht en handhaving, waarbij er minder toezicht en handhaving is waar het kan en meer waar het moet.

 
Welke waarde heeft de informatie verkregen via IvM? En wat kan een andere partij met jouw informatie?

De informatie die bronhouders via IvM beschikbaar stellen is het resultaat van specifieke processen bij de bron (zoals melden, inspecteren en vergunning verlenen). Het is voor het juist interpreteren van die informatie van belang die processen te kennen of wanneer dat niet het geval is daar bij de bron naar te informeren. De informatie die IvM biedt is actueel doordat deze direct bij de
bron gehaald wordt. De informatie verrijkt de eigen informatie en geeft mogelijk een nadere invulling van een bepaald beeld van een organisatie of persoon. De aanvullende informatie kan behulpzaam zijn bij het analyseren, plannen, voorbereiden en uitvoeren van de eigen inspectie- of opsporingswerkzaamheden en aanleiding zijn daarin samen te werken. Het resultaat is een beter geïnformeerd,
effectiever en efficiënter toezicht en handhaving, waarbij er minder toezicht en handhaving is waar het kan en meer waar het moet.

 
Wat is de rol van de Inspectie voor Leefomgeving en Transport ten aanzien van IvM?

De Inspectie voor Leefomgeving en Transport (ILT) is zowel gebruiker als één van de bronnen voor IvM. Daarnaast is de inspecteur generaal ILT eigenaar van de applicatie IvM en daarmee verantwoordelijk voor een succesvolle ontwikkeling, oplevering en het beheer ervan.

 
Is het verplicht voor organisaties om op IvM aan te sluiten?

Er bestaat (nog) geen wettelijke plicht om op IvM aan te sluiten. Het beleid van het Kabinet en alle betrokken overheden is er op gericht om de huidige situatie te verbeteren (zoals vastgelegd in de kabinetsreactie 29 383 en de bijbehorende package deal). Deze vormen de basis van het Programma Uitvoering met Ambitie (PUmA) waarvan het programma informatie-uitwisseling milieuhandhaving, dat o.a. IvM ontwikkelt, deel uitmaakt. Aansluiting op IvM en het uitwisselen van informatie tussen de verschillende organisaties is een kritische randvoorwaarde voor het slagen van de kwaliteitsverbetering van toezicht en handhaving.

 
Wat heeft een organisatie nodig om IvM te kunnen gebruiken?

Het gebruik van IvM vraagt van de organisatie vakbekwame medewerkers die binnen de scope van de eigen werkzaamheden snappen waar IvM voor dient. Voor al het gebruik geldt dat bij de toepassing van de informatie uit IvM men (om misverstanden te voorkomen) bekend moet zijn met de wijze waarop deze bij de geraadpleegde bronnen tot stand is gekomen. De medewerkers moeten zich dus ook realiseren waar de verschillen in werkwijze en wettelijk kader zitten tussen de diverse ketenpartners.

1. inspecteurs zullen IvM gebruiken bij de voorbereiding van een concrete inspectie en er mogelijk aanleiding in zien een inspectie gezamenlijk voor te bereiden. Ook is het mogelijk dat zij op basis van de getoonde informatie navraag doen bij een bronorganisatie om het beeld van een inspectieobject te verscherpen.
2. analisten en planners zullen de informatie gebruiken bij het bepalen van actuele thema’s en prioriteiten en er mogelijk aanleiding in zien een plan (planning) gezamenlijk voor te bereiden.
3. het gebruik van IvM zal leiden tot de ontwikkeling van eisen en wensen voor de doorontwikkeling van IvM. De gebruiker zal zich moeten organiseren om mee te doen in het gezamenlijk beheer van IvM. Bij het in gebruik nemen van IvM zal de gebruikersorganisatie instructie krijgen. Verder zal de bronhouder bereikbaar zijn voor de inhoudelijke toelichting op de verstrekte informatie. Hiertoe zal een infodesk worden ingericht.

IvM stelt organisaties in staat om gebruik van elkaars informatie te maken. Dit vraagt om harmonisatie van de informatie (zodat voor iedereen de informatie hetzelfde betekent) en het vraagt om harmonisatie van processen (zodat bijvoorbeeld het delen van geplande inspecties zinvol is omdat er ook daadwerkelijk een goed planningsproces aan ten grondslag ligt). Het gebruik van de informatie leidt tot verdiepingsvragen. De bronhouder zal zich zo moeten organiseren dat ze de verdiepingsvragen ook kan beantwoorden, bijvoorbeeld door de infodesk en het beschikbaar zijn van een informatiemakelaar. Verder zijn de informatiesystemen door de implementatie van IvM aan elkaar verbonden. Het is van groot belang dat partijen deelnemen aan het beheer van de gezamenlijke voorzieningen van IvM. Verder moeten ze bij het beheer van de eigen informatiesystemen rekening houden met deze onderlinge verbondenheid technisch, financieel, functioneel, life cylce management, etc. Deze organisatieverandering vraagt van partijen een goed onderling overleg en de bereidheid om de organisatie, de processen, de informatiehuishouding en de informatiesystemen op elkaar af te stemmen.

 
Wie is eigenaar van IvM?

De inspecteur generaal van de Inspectie Leefomgeving en Transport.

 
Hoe wordt het beheer van IvM ingericht?
De eigenaar van IvM is verantwoordelijk voor het inrichten van het beheer van IvM. Daarbij zal de opzet gebruikt worden zoals die voor het stelsel van inspectieviews is uitgewerkt. De stuurgroep e-inspecties heeft in december 2011 ingestemd met dit voorstel. Het belang van afstemming voor het beheer van de verschillende inspectieviews is vooral ingegeven door de inhoudelijke verwevenheid: de technische basis is dezelfde, een deel van de ontwerpdocumenten zijn gemeenschappelijk en een deel van de gegevens van bronhouders wordt altijd via Inspectieview Bedrijven (IvB) ontsloten. Daarnaast zijn veel belanghebbenden bij meerdere inspectieviews betrokken.

De opzet van het beheer is gebaseerd op een coöperatief netwerkmodel en datbetekent op hoofdlijnen:
1. er komt voor IvM een stuurgroep (opdrachtgeversberaad) als besluitvormend orgaan en een adviesgroep (gebruikersraad) als afstemmend en voorbereidend orgaan. Beiden bestaan uit vertegenwoordigers van bronhouders, afnemers,de beheerpartij en – bij de adviesgroep – de ontwikkelpartij(en).
2. er komt een stelseloverleg van eigenaren van de verschillende inspectieviews voor afstemming over de ontwikkelingen van het stelsel. De voorzitter van de stuurgroep e-inspecties treedt op als eigenaar van het stelsel. De meest gestelde vragen over Inspectieview Milieu (IvM)
3. er komt een team van medewerkers van de inspectiediensten (met inhoudelijke ondersteuning van bijvoorbeeld ICTU) waarin de inhoudelijke expertise van (het stelsel van) inspectieviews gebundeld is. Dit team ondersteunt de adviesgroep en de stuurgroep bij opstellen en bijwerken van inhoudelijke kaders, het maken van impactanalyses, het opstellen van een gemeenschappelijke releasekalender en de onderlinge afstemming tussen de handhavingsdomeinen. Het team doet ook voorstellen voor, en voert regie op, het sourcingbeleid en het contractmanagement.
 
Wat is de rol van ICTU?
ICTU is opdrachtnemer voor een aantal projecten die uitgevoerd moeten worden binnen het Programma Informatie-uitwisseling Milieuhandhaving (PIM). Het gaat om de volgende onderwerpen:
1. ontwikkelen en implementeren van Inspectieview Milieu.
2. nieuwe functionaliteit met name bulkbevraging en abonnementen/signalering.
3. het verdiepen van IvM voor toepassing ten behoeve van de handhaving in de ketens asbest, vuurwerk, bodem- en grondstromen en afval. Hierbij wordt nauw samengewerkt met andere programma’s die zich inhoudelijk op deze
handhavingsprioriteiten richten.
4. het ontwikkelen van standaarden voor de gegevensuitwisseling tussen de handhavingpartners. Daarbij wordt zo veel mogelijk aangesloten op de bestaande standaarden als RSGB, RGBZ, RUDI, etc.
Voor alle vier trajecten werkt het programma PIM nauw samen met het veld.
 
 
Bestuurlijke Strafbeschikking Milieu
 
Wat hebben gemeenten nodig hebben om per 1 mei van start te kunnen met de bsbm?

De bevoegdheid om een bestuurlijke straf­beschikking milieu uit te vaardigen is aan de directeuren van de RUD’s toegekend, omdat zij als schakel fungeren tussen de in een RUD deelnemende gemeenten en provincie en het OM en de politie. Voor zover er in een gehele provincie nog geen RUD operationeel is, zijn de colleges van gedeputeerde staten van de provincies bevoegd om een bestuurlijke strafbeschikking uit te vaardigen.
Om uw BOA’s in te kunnen zetten op de BSBm is er, zolang de RUD er nog niet is, een samenwerkingsovereenkomst met de provincie nodig. De provincie moet bekend zijn bij het CJIB om een koppeling tussen de BOA, het bevoegd gezag voor de BSB m en het  CJIB te realiseren. Het feit dat de gemeente al met de transactiemodule (TM) van het CJIB werkt is niet van belang voor gebruik van de BSBm.

 
Wat moeten gemeenten doen om het schrijven op milieufeiten mogelijk te maken?

Om schrijven voor milieufeiten mogelijk te maken moet, zolang er nog geen RUD is in de provincie, een samenwerkingsovereenkomst met de provincie van kracht zijn vanaf de inwerkingtreding van de BSBm. De provincie kan dan de betreffende BOA’s aanmelden bij het CJIB. Bij het opleggen van een BSBm moet de combinatie werkgeverscode , BOA-code en feitcode ingevoerd worden in de transactiemodule om door het CJIB verwerkt te kunnen worden.

 
Waarom wordt de zelfstandige bevoegdheid voor het opleggen van een geldboete bij een directeur van een RUD gelegd en niet bij Gedeputeerde Staten of Burgemeester en Wethouders?

De BESTUURLIJKE strafbeschikking is te gebruiken door bij algemene maatregel van bestuur aangewezen lichamen of personen, met een publieke taak belast (art 257ba WSv). Belangrijk is dat het geen bevoegdheid is van het OM (art 257 a)  noch van de politie (art 257b). Indien sprake is van een RUD op basis van een GR (Gemeenschappelijke Regeling) is de directeur met een publieke taak belast.

 

De STRAFBESCHIKKING is een instrument op basis van het Wetboek van Strafvordering dat het mogelijk maakt om misdrijven waarop maximaal zes jaar gevangenisstraf staat en alle overtredingen buitengerechtelijk af te doen met een geldboete. Middels een AMVB wordt de directeur belast met de bevoegdheid die voortvloeit uit artikel 257ba WSv (dus geen bestuursrechtelijke bevoegdheid!). Via de directeur van de RUD kan dit instrument ingezet worden en kan een boete opgelegd worden. Daarmee is dit een toevoeging aan het instrumentarium voor handhaving. Het is een lik-op-stuk instrument ten behoeve van de uitvoering van de publieke taak met toegang tot de (straf) rechter bij verzet.

 

De bevoegdheid is aan de directeur van een RUD gedacht omdat de handhavingsafspraken in een regio worden vertaald in een opdracht tot uitvoering door een RUD. Het instrument BSBm past in een goede afstemming tussen bestuur en OM. Op basis van een gezamenlijke risico- en/of probleemanalyse kan sanctiebeleid opgesteld worden voor een regio, waar de directeur van een RUD mee moet werken. Dit regionale sanctiebeleid kan alleen effectief zijn als uniformiteit wordt bereikt op inzet van middelen bij een bepaald type overtreding. Als in het gebied van gemeente A een overtreding niet leidt tot het opleggen van een bestuurlijke strafbeschikking en in gemeente B wel is het instrument onvoldoende effectief en efficiënt.  Regionaal moeten partijen tot overeenstemming komen over de inzet van sanctiemiddelen. Het OM is slechts één van de partijen in regionaal of landelijk overleg, net als de Bestuurlijke Strafbeschikking één van de handhavingsinstrumenten is.

 
RUD’s
 
Waarom zijn RUD’s nodig?
RUD’s zijn nodig om de volgende redenen:
  • De structuur van de handhaving is zodanig versnipperd dat onder deze omstandigheden een toereikende handhaving niet van de grond komt;
  • Die fragmentatie leidt weer tot grote en ongerechtvaardigde verschillen in de aanpak van de handhaving en in de behandeling van burgers en bedrijven;
  • Het is nu heel moeilijk en kostbaar om omgevingsproblemen aan te pakken die de jurisdicties van afzonderlijke besturen overschrijden, met name mobiele en ketenactiviteiten;
  • De fragmentatie en het gebrek aan informatie-uitwisseling vormen een grote barrière voor de aanpak van de zware en georganiseerde milieucriminaliteit.
De commissie Mans heeft geconcludeerd dat de schaal van veel gemeenten te klein is voor de vereiste schaal waarop de handhaving van het omgevingsrecht moet plaatsvinden. Versnippering over zo’n 500 organisaties, samen met de vrijblijvendheid in samenwerking en uitvoering, staan effectieve en efficiënte handhaving van het omgevingsrecht in de weg.
 
Het kabinet heeft bovenstaande elementen breder getrokken dan alleen handhaving. Naast het advies van de commissie Mans zijn de afgelopen jaren meer adviezen geschreven over taakuitvoering en bevoegdheidsverdeling in VROM-regelgeving (commissies Oosting, d’Hondt, Lodders). Deze gaan niet alleen over nalevingstoezicht, maar ook over vergunningverlening en interbestuurlijk toezicht.
 
Het kabinet heeft zich op basis van alle adviezen en ontwikkelingen een eindbeeld gevormd over de uitvoering van het omgevingsrecht. In dit eindbeeld is sprake van:
  • Een vermindering van de bestuurlijke en ambtelijke drukte;
  • Een verbetering van de kwaliteit van de uitvoering;
  • Een verder gaande decentralisatie van bevoegdheden en van een versobering van het interbestuurlijk toezicht;
  • Een heldere rolverdeling tussen Rijksoverheid, provincies en gemeenten;
  • Een professionalisering van de uitvoeringspraktijk die ook een basis biedt voor minder gedetailleerde regelgeving.
Het Rijk, IPO en VNG hebben in de packagedeal afspraken gemaakt richting dit eindbeeld. De vorming van RUD’s is daar één van.
 
Kwaliteit
 
Waar gaan de kwaliteitscriteria van KPMG over?
De kwaliteitscriteria gaan over vakmanschap (kritieke massa), transparantie en bestuurlijke vastlegging (procescriteria) en de minimale ondergrens binnen werkprocessen (inhoudelijke eisen en prioriteitstelling).
 
Kritieke massa
Het fundament van kwaliteit is het afleveren van een zo goed mogelijk product. Hiervoor is vakmanschap nodig. De criteria voor kritieke massa adresseren dit vakmanschap in termen van voldoende opleiding, ervaring, kennis en het onderhouden en borgen daarvan. Organisaties die aan deze criteria voldoen moeten in de kern in staat zijn om kwalitatief goede producten te leveren. Voorbeelden zijn eisen aan deskundigheid in constructieve veiligheid en bodem en bouwstoffen.
 
Procescriteria
De procescriteria beschrijven de eisen die gesteld worden aan de beleidscyclus. Het voldoen aan de procescriteria borgt een gesloten cyclus, die begint met het opstellen van het beleid (het strategisch beleidskader) en via de uitvoering eindigt met het bijstellen van beleid. Voorbeelden zijn een strategisch beleidskader voor prioriteitenstelling en meetbare doelstellingen voor toezicht en handhaving en het borgen van personele en financiële middelen.
 
Inhoud en prioriteiten
Voor inhoud en prioriteiten is een inhoudelijke ondergrens vastgesteld, waarmee de criteria een bepaalde robuustheid is gegeven. De kwaliteitscriteria voor de inhoudelijke kwaliteit en prioriteiten zijn verwerkt in de procescriteria. Voorbeelden zijn een toets- en toezichtsprotocol BWT en landelijke prioriteiten.
 
Wat is de status van de kwaliteitscriteria van KPMG?

De kwaliteitscriteria worden gebruikt als referentiekader voor de eigen organisatie. Daarnaast maken de criteria onderdeel uit van de Checklist RUD-vorming voor wat betreft de aan de RUD overgedragen taken. Dat betekent dat met deze criteria in de hand de discussie gevoerd kan worden of een organisatie al dan niet aan de criteria voldoet. Over welke bestuurlijke keuzes worden gemaakt en welke prioriteiten gesteld? Wat zijn de consequenties van het niet voldoen en wat moet er gebeuren om er wel aan te kunnen voldoen?

 
Wie moeten aan de kwaliteitscriteria van KPMG voldoen?

De kwaliteitscriteria gelden voor alle gemeenten en provincies en het rijk voorzover het de uitvoering van VROM-taken betreft, Dat geldt ook voor RUD’s, aangezien de gemeenten en provincie die gezamenlijk in een RUD opereren, bevoegd gezag zijn en blijven.

 
Wie controleert of aan de kwaliteitscriteria wordt voldaan?

In eerste instantie is dat de organisatie zelf. De kwaliteitscriteria worden door organisaties gebruikt bij de zelfevaluatie van hun uitvoerings-en handhavingskwaliteit. Gemeenten/regio’s bepalen zelf hoe de criteria toe te passen en hoe om te gaan met de resultaten van de zelfevaluatie. Onderdeel van deze controle is het horizontaal toezicht door B&W en de raad. Afhankelijk van wat het nieuwe kabinet besluit over de (wettelijke) status van de criteria, kunnen de kwaliteitscriteria in tweede instantie ook in het kader van interbestuurlijk toezicht (IBT) toegepast worden. Vanaf 1 juli 2012 houdt Gedeputeerde Staten interbestuurlijk toezicht (IBT) op gemeenten en de minister op de provincies.

 
Wie moeten er aan de kwaliteitseisen van het Besluit omgevingsrecht voor handhaving en toezicht voldoen?

In het algemeen moeten alle gemeenten en provincies voldoen aan de kwaliteitseisen uit het Bor. Het gaat om milieu- èn bouw- en woningtoezichtstaken. De kwaliteitseisen gelden in de eerste plaats voor het bevoegd gezag dat de omgevingsvergunning verleent. De kwaliteitseisen gelden niet alleen voor de handhaving van en het toezicht op de naleving van de Wabo, maar ook voor de handhaving en toezicht van andere wetten waarin dat is bepaald. Specifiek gelden de criteria dus voor gemeenten, provincies, waterschappen en rijksinspecties die handhaven op de Wabo en andere wetten waarin is bepaald dat de criteria uit het Bor gelden, Voorheen stonden deze eisen voor milieutaken in het Besluit kwaliteitseisen handhaving milieubeheer.

 
Wie controleert of er aan de kwaliteitseisen van het Besluit omgevingsrecht wordt voldaan?

Controle is primair een zaak voor B&W en de raad (horizontale borging en bewaking). Nu het gaat om wettelijk vastgelegde criteria, zal in aanvulling daarop ook de interbestuurlijk toezichthouder hierop toetsen. Dat is tot juli 2011 nog de VROM-Inspectie. Vanaf 1 januari 2012 houdt Gedeputeerde Staten (GS) interbestuurlijk toezicht op gemeenten. Overigens coördineert GS nu al de uitvoering van de kwaliteitscriteria door de gemeenten en de waterschappen.

 
Output criteria & outcome criteria
 
Wat zijn output-en outcomecriteria?
Met output wordt bedoeld de aan de samenleving geleverde Wabo-diensten die geleverd worden om het beleidsdoel te realiseren. Met outcome wordt bedoeld het maatschappelijk effect van de geleverde Wabodiensten. Dat kan een direct effect zijn, maar ook indirect, via een keten van effecten.
 
De criteria geven tegelijk een inhoudelijk beeld van wat de buitenwacht verwacht van het optreden van een gemeente of provincie. Denk aan aspecten als behandeltermijnen, transparantie en communicatie. De criteria die momenteel worden opgesteld onder leiding van de VNG betreffen vier onderwerpen:
• Dienstverlening;
• Uitvoeringskwaliteit;
• Veiligheid;
• Financiën.
 
Wat is het doel van deze output-outcomecriteria?
De output-en outcomecriteria zijn een hulpmiddel om de prestatie van de gemeenten of provincie weer te geven. Dit dient vier doelen:
a. Horizontaal toezicht: met deze criteria kan de gemeenteraad, cq provinciale staten horizontaal toezicht houden op de colleges van B&W en Gedeputeerde Staten;
b. Vertikaal toezicht (IBT): In het kader van interbestuurlijk toezicht zullen de criteria als referentiekader worden toegepast;
c. Maatstaf voor eigen functioneren binnen de eigen organisatie;
d. Benchmark: organisaties kunnen de criteria inzetten voor het maken van onderlinge vergelijkingen.
 
De criteria richten zich vooral op het bedrijfsmatig handelen van de organisatie, waardoor deze in mindere mate geschikt zijn als criteria voor IBT. Bijvoorbeeld het criterium of de beleidsdoelen gehaald worden binnen de begroting.
 
Wat betekent de totstandkoming ervan voor de kwaliteitscriteria uit het KPMG-rapport?
De output- en outcomecriteria zijn aanvullend op de bestaande kwaliteitscriteria uit het KPMG-rapport.De modellering van de kwaliteitscriteria is gebaseerd op een scheiding tussen de begrippen input, throughput, output en outcome. Voor de input en throughput zijn al criteria beschreven in de wet en in de zogenoemde KPMG-criteria. Deze criteria hebben betrekking op de bedrijfsvoering.
De criteria voor de output en outcome hebben een andere grondslag en een ander karatker. De output- en outcomecriteria zijn gericht op de diensten en producten die buiten de organisatie worden afgenomen.
  • input: mensen, middelen en tijd;
  • throughput: processen die moeten leiden tot producten zoals vergunningen, toezicht (rapporten) en handhaving (beschikkingen);
  • output: aantal vergunningen, aantal toezichtsacties, aantal handhavingsbeschikkingen, subsidies, voorlichting etc.;
  • outcome: omgevingskwaliteit, beleving van veiligheid etc.Een voorbeeld van een dergelijk criterium is '95% van de klanten van de gemeente is tevreden over de wijze van afhandeling van hun verzoek, vraag of klacht'.
 
Wat is de status van de outputcriteria?
De output-en outcomecriteria hebben het karakter van prestatie-indicatoren. Organisaties worden niet hard afgerekend op het al dan niet voldoen aan deze criteria. Er wordt geen harde normstelling gehangen aan de criteria. Bijvoorbeeld hoeveel klachten per jaar toelaatbaar zijn of hoe hoof de klanttevredenheid moet zijn. Dat is een zaak van de organisatie zelf.
 
Voor wie gelden de outputcriteria en hoe worden ze gebruikt?

Zie het antwoord op de vragen 2 en 4.

 
 
Laatste nieuws
15-05-2012 Eerste bestuurlijke strafbeschikking milieu
Acht dagen nadat de bestuurlijke strafbeschikking milieu (bsbm) van kracht is geworden, is de eerste strafbeschikking bij het Centraal Justitieel Incassobureau (CJIB) geregistreerd. Het gaat om een zaak met als feitcode BM 314 c: water lozen in een kwetsbaar gebied. Het lozen van water in beschermd gebied kan schadelijk zijn voor de natuur. Lees verder ›
09-05-2012 Geef uw mening over concept-wetsvoorstel Vth
De afgelopen maanden is bij het ministerie van I&M gewerkt aan een concept-wetsvoorstel Vergunningverlening, toezicht en handhaving. Dit wetsvoorstel is van groot belang voor het omgevingsrecht als geheel en zeker ook voor PUmA. Lees verder ›
02-05-2012 Aanpassing Kwaliteitscriteria
Medewerkers van gemeenten, provincies en milieudiensten hebben op 8 maart gediscussieerd over mogelijke aanpassingen aan de set 2.0 van de kwaliteitscriteria. De voorstellen uit de discussie heeft het kernteam Kwaliteit gewogen. Alle voorstellen waren een duidelijke verbetering ten opzichte van de huidige set. Vervolgens is zorgvuldig nagegaan wat de consequenties van de doorvoering van deze voorstellen zouden kunnen zijn. Dit heeft geleid tot een concept voorstel voor versie 2.1. Lees verder ›